Toelatingseisen Intermezzo

 

Inleiding

Intermezzo is bedoeld voor die leerlingen die qua intelligentie het vwo goed aan kunnen, maar nog over onvoldoende metacognitieve vaardigheden beschikken of sociaal-emotioneel nog niet ver genoeg zijn om de overstap naar het voortgezet onderwijs op een goede manier te kunnen maken. Doordat de stof op de basisschool niet uitdagend genoeg is ontwikkelen deze leerlingen niet de benodigde  vaardigheden, waardoor zij later in het voortgezet onderwijs vast kunnen lopen. Deze kinderen zijn eigenlijk al een maatje te groot voor het basisonderwijs, maar nog een maatje te klein voor het vervolgonderwijs.

Tot de doelgroep voor Intermezzo behoren kinderen van wie de inschatting is dat hun verwachte aansluitingsproblemen met name gerelateerd zijn aan hun (hoog)begaafdheid en niet aan een andere oorzaak, zoals bijvoorbeeld een stoornis in het autistisch spectrum.

De opdracht van Intermezzo is deze kinderen klaar te stomen voor het voortgezet onderwijs. Ouders en kinderen maken zelf de keuze op welke school de leerlingen na het Intermezzojaar instromen.

 

Doelen

Onderstaande doelen zijn algemeen geformuleerd, maar moeten altijd vertaald worden naar de individuele situatie van het kind: elk kind heeft immers zijn eigen leer-en ondersteuningsbehoefte.

We streven ernaar dat aan het einde van Intermezzo:

  • Hiaten op het gebied van taal en rekenen zijn weggewerkt;
  • De leerling een stap in de ontwikkeling op het gebied van de (executieve en metacognitieve) leervaardigheden heeft gezet, waardoor hij in de eerste klas van het voortgezet onderwijs kan aansluiten bij het niveau dat daar gevraagd wordt. Daartoe heeft hij zicht gekregen op zijn ontwikkelpunten.
  • De leerling zich in een sociale interactie met zijn omgeving (binnen een normale schoolse context) kan ontplooien. Daartoe heeft hij zicht gekregen op zijn talenten en kwaliteiten, is zijn zelfvertrouwen gegroeid, kan hij beter met weerstand en teleurstelling omgaan en is zijn weerbaarheid en zelfredzaamheid vergroot.

Kenmerken

De volgende kenmerken zijn in wisselende combinaties in meer of mindere mate van toepassing. Er is niet één enkel kenmerk dat een kind geschikt maakt voor Intermezzo, het gaat om een optelsom van factoren. Dit is nadrukkelijk geen uitputtende lijst. Er zijn vijf domeinen waar we naar kijken:

 

1. De leerling heeft een aantoonbare vwo-potentie, wat kan blijken uit een of meerdere van de volgende gegevens:

  • vwo- advies;
  • LVS-informatie op het gebied van rekenen, begrijpend lezen en taal;
  • Intelligentietest/psychologisch onderzoek;
  • Versnelling/overslaan van (een deel) van een leerjaar;
  • Volgen van Leonardo-onderwijs of een andere vorm van hoogbegaafdenonderwijs, (verslagen van) plusklassen;
  • Extra onderwijsactiviteiten /begeleiding buiten de school

2. Er zijn duidelijke aanwijzingen dat het leren op de basisschool niet of onvoldoende aansluit bij de begaafdheid van de leerling, wat blijkt uit:

  • het verhaal van de leerling en zijn ouders;
  • het verhaal van de basisschool;
  • observaties/conclusies uit intelligentie testen/psychologische rapporten van orthopedagogen of psychologen.

Voorbeelden: de leerling,

  • Vindt het snel saai;
  • Heeft moeite met vaardigheden als plannen, organiseren, zelfstandig werken, vragen stellen;
  • Stelt veel vragen;
  • Vraagt wanneer hij/zijn (nu eindelijk) kan gaan leren;
  • Heeft nooit moeite hoeven doen, heeft geen grenzen, teleurstelling ervaren;
  • Denkt diep door over bijvoorbeeld levensvragen, de tijd, het waarom van iets e.d.
  • Doet het werk niet als hij/zij niet weet waarom het gedaan moet worden;
  • Nadruk ligt op eigen leerstrategieën, heeft geen alternatieve strategie aangeleerd of geaccepteerd;

3. Er zijn duidelijke aanwijzingen dat de emotionele ontwikkeling overeenkomstig de leeftijd is, wat gezien de grote intellectuele capaciteiten bij de leerling tot stress/frustratie kan leiden en door de omgeving soms als jong gedrag bestempeld kan worden. De ontwikkeling van het intellect en andere gebieden (bv. ook praktische vaardigheden) verloopt dan niet synchroon.

 

Dit kan blijken uit:

  • Voorbeelden van jong/onbevangen/speels gedrag;
  • Boos/verdrietig worden als het niet lukt;
  • Antwoorden  niet op willen schrijven met als argument; “ik weet het toch?”;
  • Niet geaccepteerd worden in de klas/zich een eenling voelen;
  • Apart gezet zijn/voelen;
  • Shoppen op het gebied van hobby/sport;
  • Meer kunnen bedenken dan zelf kunnen uitvoeren, wat leidt tot frustratie;
  • Zelfredzaamheid is leeftijdsadequaat;
  • Tot antwoorden komen zonder tussenstappen te kunnen benoemen.

4. De basisschool is grotendeels doorlopen, maar er zijn nog hiaten bij de kernvakken die ontstaan door het overslaan van klassen of  niet of niet-passend aangeboden vormen van instructie.

 

5. Daarnaast kunnen meer algemene kenmerken een rol spelen, zoals:

  • Met tegenzin naar school gaan;
  • Slecht slapen als gevolg van schoolstress;
  • Lichamelijke klachten (psychosomatisch);
  • “mijn hoofd gaat niet uit”;
  • Moeite met veranderingen hebben (op basis van inhoud);
  • Gepest worden;
  • Afwijkend gedrag (bv. tics) waarvoor geen onderliggende psychiatrische diagnose is en dat uit niet-aangesproken potentieel verklaard zou kunnen worden;
  • Hoog rechtvaardigheidsgevoel;
  • Begeleiding door psycholoog/orthopedagoog/ECHA-coach;
  • Weerbaarheidstraining/sova-training.
clear